Strijden tegen discriminatie is voor liberalen geen vraag, maar een opdracht

Dit is de spreektekst van Tim Versnel op een ledenbijeenkomst van de Rotterdamse VVD, op dinsdag 14 juli 2020.

Vandaag is het quatorze juillet. Een van de belangrijkste dagen in de Europese geschiedenis — en in de liberale traditie. De bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 was het keerpunt van de Franse Revolutie en in de strijd voor de vrijheid en de gelijkwaardigheid van alle mensen.

Negen jaar later, op 23 april 1798, werd ook in Nederland dat principe van gelijkwaardigheid in de — eerste — democratische grondwet van ons land vastgelegd. Toen nog in artikel drie.

‘Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen’

Fast forward 222 jaar. 3 juni 2020. Duizenden mensen bewegen niet naar de Bastille, maar naar de Erasmusbrug. Ze bestormen hem niet, ze wandelen erheen. Ze zijn niet gewelddadig, maar overwegend rustig. Ze droegen geen wapens, maar meestal helemaal niks. Een aantal had een bord met een tekst, een enkeling een enkele microfoon.

Er is veel veranderd.

Maar de essentie van de boodschap is hetzelfde: ik voel mij niet gelijkwaardig. Ik word gediscrimineerd en voel me benadeeld. De formele en informele instituties van dit land werken in mijn nadeel. Of om het in de termen van dat grondwetsartikel uit 1798 te zeggen: Anderen kunnen aanspraak maken op meer voordelen. En ik wil verandering.

Hebben ze gelijk? En zo ja, wat is er dan in die 222 jaar misgegaan? Waarom voldoet onze samenleving nog steeds niet aan dat eeuwenoude ideaal? En wat doen wij daar als liberalen dan aan? Ik wil vanavond graag de gedachten delen die ik daar zelf sindsdien over heb ontwikkeld.

Deze discussie, over hoe we in al onze diversiteit met elkaar samenleven en met elkaar omgaan, is niet van vandaag of gisteren. Voor mij begon ‘ie op 6 mei 2002, toen Pim Fortuyn werd doodgeschoten op het Mediapark. Mijn oma was een groot fan van hem, las zijn boeken, en gaf me toen op zijn sterfdag het boek ‘De islamisering van onze cultuur’. Ik verslond het, en ben vanaf dat moment gefascineerd door de botsing van culturen in ons land en de poging om immigranten in onze samenleving te integreren.

Dat is voor mij lang een beetje een schizofrene aangelegenheid geweest. Mijn eerste vriendjes in Nederland — en ben zelf in Duitsland geboren en heb daar tot m’n vijfde gewoond- waren Nelson en Biko, twee broers uit Zuid-Afrika, en Ricardo, een Portugees met Marokkaanse ouders. Ik zat op de middelbare in de klas met jongens als Giani van de Molukken, Rateb uit Afghanistan, Mohammed uit Marokko. Feestte later met Greg en Gordon uit Suriname. Mijn eigen sociale omgeving is altijd de perfecte vrolijke multiculturele smeltkroes geweest.

Tegelijk was er de abstractie van “de ander”, waarover ik las bij Fortuyn, Scheffer, en anderen. “De ander”, die in zelfgekozen segregatie leeft, die zich onvoldoende aanpast, die gelijkwaardigheid opeist maar die zelf niet aan anderen geeft, zoals vrouwen en homo’s. Die “ander” zag ik zelden of nooit in het echt. Ik groeide op in Krimpen aan den IJssel en woonde vanaf m’n studie in het opgeruimde Noord. Daar meende ik “de ander” weleens te zien, maar met hem spreken deed ik eigenlijk nooit. Over “de ander” maakte ik me wel boos. Ik maakte me zorgen over de betekenis van zijn aanwezigheid voor onze cultuur en identiteit. Als “de ander” zich beklaagde over zijn positie en kansen in dit land, dan vond ik dat hij zelf moest veranderen.

En begrijp me niet verkeerd, ik ga nu niet betogen dat mensen zoals die ander helemaal niet bestaan. Er zijn in Nederland mensen die het volledig aan zichzelf te wijten hebben als ze de kansen in dit land niet pakken — en er zijn mensen die respect en vrijheid opeisen, maar die niet geven. Als je naar de cijfers kijkt, zijn dat er in elke bevolkingsgroep, met een marge van een procentpunt of 9 á 10, evenveel.

Maar jarenlang heb ik, onbewust, vooral “de ander” in gedachten gehad als de kwestie discriminatie voorbij kwam. Het zal wel bestaan, en dat je met een buitenlandse achternaam minder op sollicitatie mag komen is natúúrlijk verkeerd, dus we zullen het heus wat beter aanpakken, maar je kunt er ook zelf wat tegen doen door je gewoon beter aan te passen. En als je een stapje extra zet, dan kun je hier alsnog alles bereiken. En bovendien: kap nou eens met het slavernijverleden en dat gezever over de straatnamen. Veruit de meeste Nederlanders waren straatarm, ze hadden nauwelijks een idee wat er twee rivieren verderop gebeurde, laat staan aan de andere kant van de oceaan, en de VOC was toch vooral een aangelegenheid van de Amsterdamse elite van destijds. Waarom moet ik me daar nu schuldig voor voelen? Hoe maakt dat mij een racist? Hoe kan dat nou, volgens de theorie van de bekende Gloria Wekker, ertoe leiden dat ik een zogeheten “cultureel archief” in me draag met raciale superioriteitsgevoelens? En dan was het weer klaar. Volgend onderwerp.

De eerste scheurtjes in deze overtuiging ontstonden, realiseer ik me nu, toen ik twee jaar geleden vier stuks “de ander” als buren kregen. Een conservatief Turks gezin. De man des huizes zei beleefd ‘hallo buurman’ tegen me als we elkaar passeerden, en mijn vriendin negeerde hij steevast, zoals de buurvrouw dat bij mij deed. De kinderen vermeden oogcontact met ons. Mijn vriendin en ik zeiden zeiden tegen elkaar: wat daar thuis over ons gezegd wordt zal niet best zijn. En zo leefden we een dik jaar langs elkaar heen. Tot afgelopen zomer de kinderen onze kat kwamen aaien. Het ‘hallo buurman’ werd langzaam een terloops gesprek over het weer. Het terloopse gesprek werd een uitnodiging om thee te komen drinken. Tijdens het suikerfeest eerder dit jaar kregen we turks fruit van ze. Wij wensden ze Eid Mubarak. Deze “De ander” bleken gewone mensen, met gewoon andere beleefdheidsvormen, en kregen een naam, en hadden verhalen, over hoe het voor hen was om in Nederland hun draai te vinden.

Toen kwam 3 juni, van dit jaar. De dag van de demonstratie in Rotterdam. Onderweg naar huis, fietste ik naar de punt van het Noordereiland om van een afstandje naar de demonstratie te kijken, uit nieuwsgierigheid. Ik was niet de enige met dat idee. Er stonden tientallen mensen, van alle kleuren, zichtbaar maar beheerst geëmotioneerd. Dit was niet “de ander” die iets opeist wat hij zelf vertikt. Dit waren ook geen activistische hardliners. Dit waren Giani’s, Rateb’s, Mohammed’s, Greg’s en Gordon’s. Mensen met wie het zichtbaar materieel best goed ging, maar die toch een pijn kwamen uiten, die een boodschap kwamen afgeven. Die daar nu de moed voor hadden. Zulke mensen zag je meer. Veel meer. Sterker nog, ze waren in de meerderheid.

Ook in de nasleep van de demonstraties kwam er veel los. Veel van die jongens uit m’n eigen omgeving lieten van zich horen. In bijzondere berichten op sociale media, en in persoonlijke gesprekken. Juist die mensen die voor mij het bewijs waren dat het wel mee moest vallen met die discriminatie, lieten weten hoe vaak ze door vernedering en uitsluiting hebben moeten heenbijten om te bereiken wat ze hebben bereikt. Discriminatie is geen probleem voor die abstractie, “de ander”, maar voor al die mensen, die onze vrienden zijn, onze klas- of teamgenoten, onze geliefden, onze familieleden, maar die een naam hebben die niet traditioneel Nederlands klinkt, of een huid met meer pigment, of een uiterlijke stijl die afwijkt van de norm. En natuurlijk: mensen die vrouw zijn in een omgeving waar mannen de omgangsvormen bepalen, of die homoseksueel zijn, of Jood.

Ik geloof nog steeds dat Nederland een van de minst racistische landen ter wereld is — dat blijkt ook uit onderzoek. Ik geloof nog steeds dat etnische minderheden en ook vrouwen alles in dit land kunnen bereiken, en dat hun gemiddelde positie met elke generatie flink verbetert. Dat blijkt uit onomstreden cijfers van ondermeer het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dus we moeten ons niet laten aanpraten, door een deel van de activisten die voorop gingen op de Erasmusbrug en op de Dam, dat Nederland een land is met een onderdrukkende, racistische traditie die moet worden doorbroken. Maar we moeten, in het belang van al die Rateb’s, Giani’s en Greg’s die daar óók stonden, en die er in de meerderheid waren, wel erkennen dat ook Nederlanders mensen zijn, en dat we allemaal een bewuste danwel onbewuste voorkeur hebben voor andere mensen die op onszelf lijken. Die vinden we net eerder aardig, die achten we net eerder competent, daar hebben we net eerder vertrouwen in. Ook dàt is wetenschappelijk onomstreden. En dat leidt in het leven van al die mensen die ons zo dierbaar zijn, tot een gevoel van ongelijkwaardigheid en pijn. En al die kleine interacties, die kleine beslissingen, in een sollicitatieprocedure, in een schooladvies, op de woningmarkt, die opmerkingen op de werkvloer, die maken het bij elkaar opgeteld moeilijker voor hen om hun volle potentieel te vervullen en naar vol vermogen een bijdrage te leveren aan ons land. Natuurlijk, een deel lukt het desondanks toch. Maar een ander deel niet. Die dragen minder bij dan ze zouden kunnen, zijn minder gelukkig, en raken in het ergste geval ernstig verbitterd.

Is het dan moeilijk om als liberaal in een kwestie als deze positie te kiezen? Helemaal niet. De roep om gelijkwaardigheid en gelijke behandeling is ten diepste een liberale roep. Al sinds de bestorming van de Bastille, vandaag zoveel jaren geleden.

Wat het wel ingewikkeld maakt is de polarisatie rondom deze kwestie. Maar daar moeten we, en dan zeg ik het even op z’n Rotterdams, schijt aan hebben. Als mensen met een andere seksuele voorkeur, met een ander geloof, met een andere huidskleur, of met een ander geslacht hun hand opsteken omdat ze ongelijkwaardigheid ervaren, en we moeten erkennen dat dat zo is, dan is hun strijd ook onze strijd.

Vervolgens is het de vraag: wat doe je dan. Allereerst: uit de loopgraaf komen en samenwerking opzoeken. Dat is wat wij zes weken geleden hebben gedaan. Eerst samen met Denk, en twee weken later sloten zich nog vijf andere partijen aan. Dat is best spannend, maar het is onze taak. Wij worden vanuit de stad voor vier jaar die raadszaal ingestuurd om daar naar beste kunnen met de problemen om te gaan die zich in die vier jaar aandienen. Wij zijn passanten. Het belang van de stad, van de samenleving, staat altijd voorop. Ook als het soms voelt als dansen met de duivel, dan moeten we het toch doen. Dat is onze plicht.

Met deze zeven partijen hebben we ideeën ontwikkeld om discriminatie te bestrijden en de kansen voor minderheden en kinderen uit een achterstandssituatie te vergroten. Het allerbelangrijkste doel daarin is dat er geen generatie Rotterdammers meer opgroeit met een negatieve abstractie van “de ander”. We moeten kinderen helpen om van jongs af aan de mens achter de ander te leren zien, en te respecteren. Of die nou een ander geslacht heeft, een andere huidskleur, een andere seksuele voorkeur, of een keppeltje of een hoofddoek draagt. Dat is het meest substantiële dat we voor de lange termijn kunnen doen. Op de korte termijn kan de gemeente in een rol spelen in het beter omgaan met al die kleine negatieve vooroordelen. Zowel in de eigen organisatie als op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt, en in het maatschappelijk leven. En werken aan onze gedeelde identiteit, het Rotterdammerschap.

Bovenal moeten wij liberalen elkaar en anderen aansporen in wat we zelf kunnen doen. En dat is met elkaar praten. Naar elkaar luisteren. Er hoeft geen Bastille in de fik, we moeten slechts proberen de mens achter “de ander” te zien, en zich in hem of haar te verplaatsen. Dan helpen we elkaar als individuen, om ons volle potentieel te ontwikkelen. Dan wordt onze diversiteit echt een kracht. En dan is Rotterdam helemaal niet meer te stoppen.

Daarom zeg ik vandaag: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap.

Schouder aan schouder voor de gelijkwaardigheid van alle Rotterdammers.

Zoeken naar de ideeën, mentale modellen en innovaties die nodig zijn om de uitdagers van de vrijheid in de 21e eeuw te verslaan.

Zoeken naar de ideeën, mentale modellen en innovaties die nodig zijn om de uitdagers van de vrijheid in de 21e eeuw te verslaan.